Nog in
Beuningen vroeg ik mij af hoe het zou zijn, rennen in dit berggebied en of mijn
knie het zou houden. Nu is het zover. Ik ren over Zur Höll in de richting van
de Dreisesselstrasse, het gaat hier steil omhoog, erg steil. Nu weet ik weer
hoe het was, hoe het is.
Gistermorgen
deed ik dit stukje met de auto om broodjes te gaan kopen bij de bakker. De
enige zelfbediening in deze buurt, de Edeka,
gaat pas om tien uur open. Oké, we kunnen koffie zetten maar ons daartoe
beperken maakt het ontbijt wel erg karig (en caloriearm).
Op de
Dreisesselstrasse nabij de afslag naar de straat waar de bakker domicilie koos,
steekt een slanke dame met resolute passen de rijweg over. Zij gaat gekleed in
een lange rok en een luchtig truitje, haar haren en een deel van haar gezicht
gaan verborgen onder een wapperende sjaal en aan haar hand bungelt een slappe
linnen tas waarin zij iets zwaars heeft opgeborgen, waarschijnlijk haar
portemonnee. Zij is overduidelijk op weg naar de bakkerij, maar voor mij lijkt zij
nog het meest op Roodkapje die haar zieke grootmoeder gaat bezoeken. Inderdaad,
in een van de donkere bossen die ons hier omringen. “Uitkijken hoor!”, roep ik
haar geluidloos toe.
De route
gaat afwisselend omhoog en omlaag, zodat ik steeds een beetje kan uitrusten
voordat ik aan een volgende klim begin. Op de terugweg, op het einde van de
Schusterweg, een van de steilste trajecten van de route, is een vrouw bij een
paar struiken in de weer. Water geven vermoed ik, het is immers al een paar
weken erg droog geweest. Ik nader haar traag en zij kijkt af en toe tersluiks
in mijn richting. Er zullen hier toch wel vaker mensen hardlopen? Of maakt zij
zich ongerust over mijn bedoelingen? Pas als ik haar op een paar meter ben
genaderd zie ik dat zij rode bessen aan het plukken is. Even heb ik het gevoel
dat zij mij een handjevol wil aanbieden, maar in plaats daarvan wenst zij mij
een plezierige morgen. Ik groet haar natuurlijk ook even vriendelijk.
Het smalle
stoepje nabij de kerk wordt nagenoeg geheel in beslag genomen door een houten
trapleer. De reden is duidelijk: bovenin de verdorrende kersenboom hangen nog
enige rijpe vruchten. De oudere heer geeft mij alle ruimte om te passeren. Ook
hij groet mij uiterst vriendelijk.
Met Riky
aan het ontbijt, dat was op maandagmorgen na mijn bezoek aan de bakkerij, vragen
wij ons tegelijkertijd af waarom wij ons automatisch in de taal van het
gastland proberen uit te drukken. Onderwijl happen wij in een zoete ring van
brooddeeg – het vettige ding lijkt nog het meest op een overmaatse donut, in
stilte wens ik haar en mijzelf toe er niet misselijk van te worden. Waarom heb
ik in de broodjeswinkel een vraag gesteld in krakkemikkig Duits? Waarom niet in
mijn moedertaal? Ik zou bijvoorbeeld aan de vriendelijke bediende hebben kunnen
vertellen dat het gisteren zondag was toen wij hier aankwamen. Dat wij geen
boodschappen konden doen omdat de enige zelfbediening gesloten bleek. En
aangezien die pas op deze morgen, om tien uur, open gaat, wij niets hebben om mee
te ontbijten (behalve koffie, maar dat gaat de bakkerijdame niets aan).
“Heeft u misschien een broodje voor ons?”, zou ik hebben kunnen vragen, “een die ook zonder beleg gemakkelijk weg te happen is?”
Zij, de winkelbediende, zou er niets van hebben begrepen en ik zou er niets mee zijn opgeschoten, maar we hebben wel lekker gelachen om het idee!
Ach, denk
ik, het maakt niet uit of we elkaar al dan niet goed verstaan, onze bedoelingen
zijn gewoon goed en daar gaat het om! Bovendien heeft mijn knie geen kik
gegeven!
“Heeft u misschien een broodje voor ons?”, zou ik hebben kunnen vragen, “een die ook zonder beleg gemakkelijk weg te happen is?”
Zij, de winkelbediende, zou er niets van hebben begrepen en ik zou er niets mee zijn opgeschoten, maar we hebben wel lekker gelachen om het idee!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten