vrijdag 3 augustus 2018

Bruintje

Eruit! Twee├źndertig graden Celsius of niet, ik wil er even uit. Even mijn hoofd leegmaken na het telefoongesprek met Jan. Jammer dat Riky niet in de gelegenheid is mee te wandelen; ja, ik wandel een stukje omdat hardlopen voorlopig niet mogelijk is. Op de Hommelstraat betrap ik mezelf erop dat ik met mijn pet in de hand loop terwijl de zon mijn schedel ongehinderd en onbarmhartig stooft. “Waarom loop je zo ongelukkig?” Ik ben helemaal niet verbaasd dat mijn broer ongemerkt met mij oploopt en breng hem in herinnering dat ik op ’t ogenblik geplaagd word door een zenuwafknelling onderin mijn rug.
“Vervelend voor je, Sam, maar er zijn ergere dingen!” – Bruun is de enige die mij vaak aanspreekt met Sam, meestal eigenlijk. Wij, mijn zusjes en broertjes, hielden van onze grote broer en gebruikten vaak zijn troetelnaam: Bruintje. Waarschijnlijk omdat zijn gestalte maar vooral zijn lieve karakter overeenkwamen met dat van Bruintje Beer, de stripfiguur van Mary Tourtel die we regelmatig in de Katholieke Illustratie tegenkwamen. 
Hij heeft helemaal gelijk, er kunnen je ergere dingen overkomen. Bruun mag dat zeggen. Gistermorgen hebben Riky en ik hem opgezocht in het Westfries Gasthuis in Hoorn. Hij lag op de IC. Een verpleegkundige waarschuwde ons dat hij sliep. Daar lag mijn grote broer. Een wit laken bedekte zijn geheel ontklede lichaam tot vlak boven zijn geslacht. Elk stukje vel dat ruimte bood aan een plakkertje, een knijpertje of een naald werd benut. Aan weerszijden stonden bliepende en zuchtende machines die bovendien voortdurend verspringende, alarmerend rode cijfertjes en bewegende streepjes en stippen produceerden. Ondanks al deze vreemde elementen op, aan en in zijn zieke lijf vertoonden zijn bruinverbrande kop en zijn vertrouwde postuur nog de gelijkenis met de oude Bruintje. Onze stem wekte hem alsof hij op ons had gewacht. “Zijn jullie het?” vroeg hij blij verrast. Ademen, praten en slikken het ging allemaal moeizaam. Het sneed door mij heen: zo ziet het einde van een mens er dus uit. Hij had zo graag Bep overleefd, vertelde hij ons moeizaam – zijn Bep voor wie hij zo graag zorgde: een paar uur later vertelde onze neef, Sjon, dat zijn vader haar afgelopen zaterdag nog steunkousen had aangetrokken! En na een paar slokjes water liet hij ons desgevraagd weten dat hij dat nog het ergste vond, dat hij het huis moest verlaten waarvan hij elk stukje wel onderhanden heeft gehad en waarin Bep en hij sinds april 1961 lief en leed hebben gedeeld. We konden maar even blijven. Al gauw zagen we aan zijn omfloerste blik dat hij moe werd. Bruun vond het goed dat ik hem bij het afscheid zoenen wou. Voor het eerst kuste ik mijn broer en hij zoende mij terug, vol op mijn mond. 
We hebben geluk, de Dwarshommelstraat is geheel overschaduwd. “Duurt ’t nog lang tot Herman?” Even begrijp ik niet waar Bruun op doelt. O, Herman! Natuurlijk, mijn broer is een trouwe dekkertjes-lezer. Graag had ik Herman aan jou voorgesteld, Bruun! Helaas zal dat nooit gebeuren en, trouwens, misschien ben je al dood! Het blijft stil en het zonlicht vertroebelt mijn blik: onze broer Jan vertelde mij een goed uur geleden dat zijn situatie snel verslechtert en dat men er machteloos tegenover staat. Ze hebben ‘alle toeters en bellen’ van onze broer weggenomen; er rest hen geen andere zorg dan zijn pijn te onderdrukken. In de schaduw van de bomen op de Tempelstraat zie ik Bruun in de keuken in Wadway, op een warme augustusavond na een hele dag hard werken op het land van een broer van pa. Wij, zijn ouders en broers en zussen, zitten rond de keukentafel. Wellicht eten we aardappels en sperziebonen en veel jus en een balletje. Terwijl hij zich met het koude water uit de kraan wast bekijk ik Bruun’s ontblote bruinverbrande bast, daarmee zijn bijnaam onderstrepend.