‘Wie 55 uur per uur werkt, heeft een
derde meer kans op een beroerte dan iemand die maximaal 40 uur per week werkt.’
Dat schreef Annemieke van Dongen in de
Gelderlander van deze morgen naar aanleiding van een publicatie in The Lancet. Ik at mijn boterham met pure
hagelslag toen ik even bleef hangen op het eerste stukje van haar openingszin
en me afvroeg hoe je dat doet, vijfenvijftig uur in één stoppen. Dat zou nog
eens een vinding zijn, dan worden we in een klap gemiddeld ouder dan
vierduizend jaar! (4.345 om precies te zijn, volgens het CBS wordt de
Nederlandse man negenenzeventig.) Helaas, of gelukkig, het is maar hoe je het
bekijkt, bedoelde Annemieke vijfenvijftig uur per week.
Terwijl de pijntjes van
de eerste paar honderd meter hardlopen naar de achtergrond verdwijnen realiseer
ik mij dat het hier om een serieus onderzoek gaat – een half miljoen werknemers
werd gemiddeld 7,2 jaar gevolgd –, dat een ernstig probleem bloot heeft gelegd.
Drieëndertig procent meer kans om te overlijden aan een hersenbloeding (en
andere hart- en vaatziekten) voor de man die vijftien uur per week overwerkt. Ik
begrijp dat de onderzoekers hun resultaten hebben gecorrigeerd (voor roken, alcoholgebruik,
enzovoort), maar wat verstaan zij onder werken? Loopt de schrijver die altijd
en substantieel overwerkt ook dit risico, zelfs wanneer hij zijn werk –
tekenen, beeldhouwen, schilderen, voetballen, enzovoort – als een hobby beschouwt?
En hoe zit het met de alleenstaande man die keurig veertig uur werkt en
daarnaast dagelijks voor zijn huishouden en kinderen ploetert? En met de mannen
die naast hun werkweek bij de baas, bijbeunen?
Persoonlijk behoorde ik
nooit tot de risicogroep, denk ik. Heel aan het begin werkte ik vijfeneenhalve
dag per week. Dat ging al snel, via tweeënveertig en een half naar veertig uur.
De laatste jaren ging daar nog arbeidsduurverkorting (acht uur per veertien
dagen) overheen, en slechts af en toe had ik met overwerk te maken. Bovendien
had ik nauwelijks taken in onze privéhuishouding. Vooral dat laatste is
tegenwoordig anders: ik kan geen huishouding meer aanwijzen waarin slechts een
van de partners voor het gezinsinkomen werkt.
Op de hoogte van de
Brugstraat staat een man in een bekende houding bij de picknickbank. Aan mij
bekend, bedoel ik. Zou hij kramp hebben? De man is opmerkelijk lang en slank,
en hij draagt sportkleding, zie ik nu ik dichterbij kom. En nee, kramp is
waarschijnlijk niet de reden van zijn opmerkelijke bewegingen, hij rekt zijn
spieren.
Af en toe ontmoet ik
hardlopers zoals deze lange dunne. Zij duwen tegen een boom, hebben een been op
een bankje gelegd of duwen zich met gestrekte armen weg van de grond. Zij doen
rek- en strekoefeningen tijdens het hardlopen of wandelen. Ik heb nooit
begrepen waarom je dat zou doen. Het ziet er ook niet uit, vind ik. De enige
concessie die ik heb gedaan nadat ik een zweepslag in mijn kuit opliep (tijdens
badminton) zijn een paar eenvoudige oefeningen voordat ik van huis ga om te rennen,
in ‘goed Nederlands’, warming-up genoemd (en cooling-down, als ik weer thuis ben).
Zulke oefeningen zal ik nooit langs de openbare weg doen! En al helemaal niet
tussendoor. Het is ook niet nodig: je zult nooit een marathonloper zien die de
wedstrijd verliest omdat hij onderwijl moest rekken en strekken!
Evengoed, denk ik nu, onderzoekers
kunnen zomaar eens aan het licht brengen dat hardlopers die verzuimden
tussendoor te rekken en te strekken, een grotere kans hebben op het ontstaan
van ernstige en blijvende spierontstekingen! En wat doe je dan? Ik bedoel maar,
ik heb ook nooit geweten dat ik de kans op serieuze problemen met mijn hart en
vaten kon verminderen door weinig of helemaal niet over te werken. Ik had dom
geluk, toevallig vond ik dat onze vakbonden niet voor niets een beperkte
werkweek hebben bedongen. Dan ga je toch niet overwerken? Of bijbeunen?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten