vrijdag 1 december 2017

Krekster

Terwijl boven mijn hoofd kale grijze boomtakken stijf naar een paar grijze wolken wijzen, nadert verderop een wandelaar. Ook al duurt het nog even voordat we elkaar gaan tegenkomen, maken zijn gestalte en bewegingsritme me duidelijk dat hij het is. Het is de eerste keer dat ik hem hier op de Waardhuizenstraat zie lopen. Ik noem hem John, naar een van de romanfiguren van Stephen King. De John waarnaar ik hem vernoemd heb is van Indiaanse afkomst. Hij heeft een uitgesproken zacht en warm karakter, is groot van gestalte en heeft zich geoefend om nagenoeg geluidloos te lopen. Let wel l√≥pen, niet sluipen! In romanfragmenten wordt zijn nadering vaak niet opgemerkt zodat het is alsof hij daar plotseling in opdoemt. En juist in dat voortbewegen lijkt ‘mijn John’ geenszins op die van King. Integendeel. Het is misschien deze tegenstelling waarom John me indertijd een passende naam leek. Wel dicht ik mijn John het zachte en warme karakter van Indiaanse John toe hoewel ik in de afgelopen jaren nooit met hem heb gesproken. 
Gaat dat vandaag misschien gebeuren? 
Toen er nog niets aan de hand was, toen ik nog tweemaal per week ongehinderd naar Ewijk, Winssen of Deest kon rennen, passeerden we elkaar meestal ergens op de Waalbandijk. Onze communicatie ging nooit verder dan een groet. Na verloop van tijd kon ik aan zijn manier van groeten horen dat hij mij herkende zoals ik hem. John hoorde min of meer bij de vaste waarden van mijn hardlooprondjes, hij en anderen waaronder de broertjes uit Ewijk. 
Steeds als ik John tegenkom of passeer verbaas ik mij over zijn hoge bewegingsritme en zijn wandelsnelheid. Zoals altijd krijg ik de indruk dat hij zich haast, dat hij op een bepaald tijdstip thuis moet zijn maar helaas te laat van start is gegaan, of de voor zijn wandeling benodigde tijd verkeerd heeft ingeschat. Meestal draagt John een wollen muts als het zo koud is als vandaag. Deze keer heeft hij de capuchon van zijn donkerblauwe winterse jopper over zijn hoofd getrokken. Van de keren dat ik hem in het gezicht kon zien weet ik dat hij een uitgesproken rimpelig gelaat heeft. In dat rommelige gezicht vallen vooral zijn kin en zijn geprononceerde neus op, die gespikkeld is als een nog onrijpe aardbei. 
We kunnen elkaar al bijna in de ogen zien. Terwijl ik aanstalten maak om de straat over te steken zodat ik hem kan aanspreken, klinkt het waarschuwende gerommel van een vrachtwagen. Over mijn schouder zie ik een groengele Dar-vrachtwagen die vandaag groenafvalcontainers komt legen. De chauffeur van de vuilniswagen neemt gas terug en rijdt tussen ons door. Hij wordt gevolgd door een tractor met aanhanger van het nabije loonwerkersbedrijf en weer daarachter een kleine zwarte Daihatsu. Ik heb er niet op gewacht. John ook niet, waarom zou hij? Hoe dan ook, nu de optocht eindelijk voorbij is zijn John en ik elkaar al ruim gepasseerd, ditmaal zelfs zonder te kunnen groeten!
Ik ren al een poosje op de Waalbandijk en ben nog steeds bij John, me afvragend waarom ik niet de moeite nam om die paar meters terug te rennen, als een zwarte kraai vanwege zijn afwijkende verenpak mijn aandacht vraagt. Links en rechts van zijn stuitje heeft het grote witte vlakken en ook een deel van de staart is wit. Op het moment dat hij opvliegt zie ik dat de onderste delen van beide vlerken grotendeels wit zijn als van een ekster. Is er een ekster met de vader of moeder van deze kraai vreemdgegaan? Is dit een hybride-vogel, het resultaat van een vrijage tussen twee aparte soorten? Is dit een krekster?
Jammer dat ik weer niet de moeite nam John aan te spreken. Dan had ik hem bijvoorbeeld kunnen vragen of hij de Ewijkse broers heeft gezien, hem kunnen vragen of hij Joop en Harry bij de eerstvolgende gelegenheid mijn groeten wil overbrengen.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten