vrijdag 15 februari 2019

Raadsel

Wandelen terwijl de zon mij warmt voelt alsof er niets van meer belang bestaat. ‘Ja, wat kan ik nog meer verlangen?’, dacht ik toen ik nog over de Tempelstraat, nog geen halve kilometer van huis, liep. Toen wist ik nog niets van hetgeen vandaag op mijn wandelpad zou komen. Zoals dat raadselachtige gifgroene cirkeltje op het asfalt van het fietspad langs de Van Heemstraweg. Ik vond het bijna recht tegenover de plantenwinkel van Bull. Het is ongeveer twintig centimeter in doorsnede en zo zuiver rond dat de schilder er een malletje voor gebruikt moet hebben. Als die twee in oranje hesjes geklede mannen er niet waren geweest, die zo op het oog werkloos informatie uitwisselden, was mijn fantasie met me op de loop gegaan, vanwege die gifgroen gespoten figuur bedoel ik. Nu was duidelijk dat er een verband moest zijn tussen die twee koutende mannen en dat opvallende teken. Desondanks kan er meer aan de hand zijn dan het voor de hand liggende. Genoeg voor mijn verbeelding. Ik had dan ook al enige complottheorieën uitgewerkt – bijvoorbeeld dat de Russische spionagedienst clandestiene metingen verricht teneinde de reikwijdte van hun ‘verboden’ kruisraket SSC-8 te bepalen – voordat ik de volkstuintjes aan de Hommelstraat bereikte en daarmee het verblijf van Herman. 
De bult onder het gele zeil brengt opnieuw een schok teweeg. Voor de tweede keer: toen ik hier gistermiddag met Riky wandelde zagen we het reeds van ver en vroegen ons af, afzonderlijk van elkaar, wat er onder dat zeil verborgen zou gaan. Pas toen we eraan voorbij liepen en vervolgens constateerden dat Herman afwezig was, pas toen vroegen we het elkaar: ‘Wat denk jij dat er onder ligt?’ ‘Een kadaver, zoveel is wel zeker’, antwoordde ik. ‘Dat van Herman?’, vroeg Riky ongerust. ‘Nee, echt niet! Dan zou de bult veel groter zijn!’ Toch waren we er niet gerust op en vervolgden enigszins bedrukt onze weg. 
Omdat ik helemaal opga in theorieën die passen bij twee mannen in veiligheidshesjes en een giftige cirkel, loop ik al aan het afdekzeil voorbij voordat ik me realiseer waar ik ben. Bijna tegelijkertijd stel ik twee feiten vast: Herman is nog steeds afwezig en de bult bewijst dat het kadaver nog niet door een destructiebedrijf is opgehaald. Voor de zekerheid kijk ik nog even goed in het zon-verlichte wrakkige onderkomen van de hooglandstier. Niets, Herman is er echt niet! Enigszins huiverig pak ik een punt van het zeil op. Ik zie iets met een grijze vacht, een lange staart en een linker achterbeen dat uitloopt in een hoef. Het gaat duidelijk om het dode lichaam van een klein soort paard. Misschien dat van een shetlander of een fjordenpaardje. Het is niet dat ik bang was dat Herman onderzeil was gegaan – zijn massieve gestalte zou immers een veel grotere bult hebben gevormd, en er zou geen plaats zijn geweest om zijn hoorns te verbergen – evengoed lucht het mij op dát het kadaver geen zwarte vacht heeft.
Maar waar is Herman?
Doe ik er verstandig aan om hem als vermist op te geven? Ik peins over dat probleem terwijl ik het traject langs de Waal bewandel. Ik zie mijzelf al aanplakbiljetten vervaardigen, aan bomen prikken en om lantaarnpalen wikkelen: “Wie heeft Herman gezien? Hij heeft een zwarte vacht, korte poten, lange hoorns en zijn ogen gaan meestal verborgen achter een slordige toef haren. Hij is voor het laatst gezien op woensdag 13 februari, ’s middags om twee uur. Overigens: hij luistert misschien ook naar de naam Bo.” Er is voor huis- en landbouwdieren niet zoiets als een AMBER Alert voor kinderen, dat zou waarschijnlijk meer effect sorteren dan aanplakbiljetten … 
Weer terug op de Van Heemstraweg ontdek ik een tweede gifgroen cirkeltje. Het is kersvers en voert mij weer terug naar het aanvankelijke raadsel dat ik nog steeds niet heb opgelost.