Terwijl ik over de Waalbandijk ren,
alweer op weg naar huis, luister ik naar ritmisch tikken als van een kind dat
af en toe zijn houten ratel ronddraait. In het bos rond Slot Doddendael hebben de spechten het bepaald druk. Af en toe
klinkt er een omfloerste roffel wat verder weg dat beantwoordt lijkt te worden
door een korte reeks tikken dichtbij.
Ik peins over de voorzieningen die
spechten hebben ontwikkeld om te voorkomen dat ze zichzelf een hersenschudding
bezorgen (daarbij valt onze valhelm in het niet), als een akelige schreeuw mij daaruit losscheurt. Rechts van mij wordt
opnieuw om hulp geschreeuwd. Net voorbij het bos speur ik de stukjes weiland en
het veld af. Iets dat zich achter de boerderijtjes aan de Binnenweg ophoudt
lijkt dit ijselijk schreeuwen te veroorzaken. Daar is het weer, langgerekt en
zangerig klinkt een doordringende kreet als van iemand in nood. Deze keer wordt
het nog eens kort herhaald: “Muehheuhe…huehh!”.
De stem heeft niets menselijks en is onmiskenbaar afkomstig van een schaap; een nog jong dier dat om z’n moeder
roept, zo stel ik mij voor. Als zij haar klanken als een mensenkind zou kunnen
coördineren zou ik het arme dier kunnen verstaan: “Mamahhaa…..help!” En nog
eens: “Mamahha….. waarbhenjhe?”
Ik bedenk dat het jonge lam – een
meisje waarschijnlijk (maar Gretha had ook een jongetje kunnen zijn zoals later
zal blijken) – in alle vroegte met haar vriendinnen van de moederdieren is
afgedwaald. Zij ravotten een poos rond een greppel met sappige lange grassen, ontluikend
riet en een aantal knotwilgen. Gretha danst ingewikkelde figuren om de grillige
boomstammen en verliest zich zodanig in het ontwijken van haar vriendinnen dat
zij plotseling helemaal alleen blijkt te zijn. Het spel is niet leuk meer. Zij
wil naar mama maar wordt belemmerd door grofmazig gaas. Haar roep om hulp wordt
echter niet beantwoord.
Ondertussen kouten Greet en Bets druk met
elkaar terwijl zij de sappigste punten van het korte gras bijten. Hun discussie
gaat weer om het eeuwige dilemma: ondernemen we actie of juist niet? De
vriendin van Gretha’ moeder weet het zeker, als je onrust stookt word je uit de
kudde verwijderd en moet je maar zien dat je iedere dag voldoende bij elkaar
kunt grazen: “En hoe kom je dan van je dikke wintervacht af?”
Bets dempt haar stem: “Die Dorothee, die wist het wel, zij vertelde…. Weet je eigenlijk wel wie ik bedoel?”
Greet kijkt haar vriendin peinzend aan: “Bedoel je…., Dorothee Knot?”
“Nee meid niet die tuthola, ik heb het over Dorothee van de Wolvaert!”
Aan Greet’ glazige grijsblauwe ogen is te zien dat zij die dame niet kent, desondanks: “O, die. Wat is er met haar?”
Bets dempt haar stem: “Die Dorothee, die wist het wel, zij vertelde…. Weet je eigenlijk wel wie ik bedoel?”
Greet kijkt haar vriendin peinzend aan: “Bedoel je…., Dorothee Knot?”
“Nee meid niet die tuthola, ik heb het over Dorothee van de Wolvaert!”
Aan Greet’ glazige grijsblauwe ogen is te zien dat zij die dame niet kent, desondanks: “O, die. Wat is er met haar?”
Ik zal het verhaal van Bets hier niet
letterlijk weergeven omdat de hartsvriendin van Greet gewoonlijk nogal wat zijpaden
inslaat. Waar het op neer komt is dat haar Dorothee van de Wolvaert zeker meende
te weten hoe het komt dat er maar zo weinig mannen zijn, en dat de tweebeners wel
meer van hen willen dan hun vuile en flodderige winterjassen. Als schapen
lammeren zijn zij zwak. En terwijl de mannen elders werken, hen niet kunnen
beschermen, stelen tweebeners hun zonen die zij eten als waren zij gras en
kruiden! En ze zijn slim: af en toe laten zij er één bij zijn moeder zodat de
kudde niet tegen hen in opstand komt.
De alarmroepen van het lam lijken geheel
aan de kletsende dames voorbij te gaan. Totdat: “Hé, is dat jouw Gretha niet?”
“Ach ja meid, ik hoor haar wel hoor, maar ik ben nu wel klaar met dat gesabbel. Zij moet leren haar eigen kostje bijeen te grazen. Binnenkort komen er immers nieuwe kleintjes!” Na een langdurige pauze vervolgt Greet peinzend: “O, als er toch een manneke bij is! Ik hoop dat ik het dit keer bij mij mag houden.”
Ik heb te
doen met die schapen, maar het zijn wel kwebbelkousen hoor!
“Ach ja meid, ik hoor haar wel hoor, maar ik ben nu wel klaar met dat gesabbel. Zij moet leren haar eigen kostje bijeen te grazen. Binnenkort komen er immers nieuwe kleintjes!” Na een langdurige pauze vervolgt Greet peinzend: “O, als er toch een manneke bij is! Ik hoop dat ik het dit keer bij mij mag houden.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten