vrijdag 26 augustus 2016

Topzomer

Hoewel hardlopen onder deze omstandigheden minder comfortabel is – ik prefereer een temperatuur tussen vijf en twaalf graden boven nul, terwijl de thermometer vanmorgen al dik boven de twintig graden aangaf – zijn er ook voordelen. Nou ja, ik heb wel geen profijt van het tafereeltje verderop, maar het is wel leuk er getuige van te zijn. Het hoort bij een tropische zomer: aan de oever van de Loenensche Wel, de bijna twee kilometer lange nevengeul van de Waal, wordt wild gekampeerd. Dat is weer eens iets anders dan vissende kleine zilverreigers, grazende ganzen, steigerende Konikhengsten, jagende buizerds, zich volvretende zwaluwen, vechtende eksters of een verdwaald vliegend hert op het asfalt. Vanaf de Waalbandijk heb ik een eersteklas overzicht.
Hoewel hier maar zelden wordt gevist, in de afgelopen jaren zag ik slechts een enkele keer opgeschoten jongens met hengel en emmer richting meertje lopen, dacht ik aanvankelijk met de fiets van een visser van doen te hebben. Even daarna meende ik iemand tussen het voor- en het achterwiel van de fiets te zien liggen. Nu, nadat ik de bocht in de dijk rondde, zie ik dat het om twee fietsen gaat. Daartussen liggen twee mensen in slaapzakken, zo te zien nog in diepe slaap. Zelfs de zon op het afgewende gelaat van een van hen heeft hen nog niet gewekt, lijkt het. Rondom de slapers en hun fietsen liggen her en der bagagestukken. Onbedoeld probeer ik mijn voeten niet al te hard op het asfalt te laten landen om de slapers niet te storen. In mijn hoofd vormt zich vaag een herinnering die ik aanmoedig zichzelf uit de veilige kronkels van mijn hersenen te bevrijden. Toch nog plotseling staat ze weer haarscherp voor mijn geestesoog.
Een aantal jaren geleden kwamen zij mij hier op ditzelfde deel van de dijk tegemoet terwijl ik argeloos van mijn hardlooprondje genoot. Anders dan nu was het in de tweede helft van de middag van een eveneens warme zomerdag. De zwaarbeladen scooter, zo’n ding waarmee je niet harder mag rijden dan dertig kilometer per uur, had er duidelijk moeite mee. Iets dat ik kon begrijpen toen die dichterbij was gekomen. Ik weet nog dat ik verbaasd was toen ik zag dat zij met z’n drie├źn op dat lichte scootertje zaten. Drie jongvolwassenen op een brommertje!
Op de krappe duozit, achter de stevige knaap die het ding bestuurde, zaten een meisje en een jongen. Zij steunde met haar rug tegen de rug van de bestuurder, haar benen lagen vanaf de knieholte over de bovenbenen van de jongen die achter haar had plaats genomen. Zo zat zij als het ware bij hem op schoot. Aan haar voeten droeg het meisje slechts rode nagellak en haar eveneens rode rok fladderde als een klaproos in de zwoele wind. Zij gingen geheel in elkaar op, de jongen en het meisje, en ik weet nog dat ik een beetje te doen had met de knaap aan het stuur, die, overigens, in zijn eentje zwaar genoeg leek voor dat kleine scootertje. Hoewel hij zorgde voor de voortgang zat hij er voor spek en bonen bij. Dat was uit zijn onverschillige houding op te maken. Die dag werden de openbare zeden zwaar geweld aangedaan want op het moment dat het drietal mij passeerde meende ik bovendien te zien dat de achterste knaap, ten gerieve van het meisje, zijn broek open had geknoopt.
Topzomer, toen. Net zoals vandaag: nog nooit zag ik mensen zorgelozer de nacht doorbrengen als hier aan de nevengeul. Inmiddels ben ik weer op mijn weg naar huis. In het kampement is leven gekomen. Een van hen, zo te zien een jonge vrouw, is uit haar slaapzak gekropen. In haar linkerhand een frommelig pocketboek, met haar rechterarm steunt ze haar hoofd. De andere slaapzak golft als de larve van een beekjuffer die op het punt van uitsluipen staat. 
Ik zei het al, het is een topzomer!




Geen opmerkingen:

Een reactie posten