vrijdag 9 maart 2018

Tamtam

Tegenwoordig overkomt het me iedere keer dat ik denk, als ik bezig ben met de eerste paar honderd meters van een hardlooprondje, Simon, stop er toch mee, keer je om want dit is helemaal niet leuk meer. Inmiddels weet ik dat ik dit gevoel, dit somberen en piekeren het best kan overrulen door gewoon door te gaan want na die eerste paar honderd meters lijkt mijn lijf steeds weer te accepteren wat onvermijdbaar is, rennen. Nou ja, op rennen lijkt het de laatste maanden, het laatste jaar moet ik misschien zeggen, nauwelijks. Mijn laatste hardlooprondje, dat van afgelopen dinsdag, ging met een gemiddelde snelheid van 8,22 kilometer per uur. Langzamer dan dat was ik bij mijn weten nog niet eerder. Evengoed ren ik op dit moment nog wel – over de Dwarshommelstraat. Tenminste, als ik hardlopen definieer als het afwisselend met de linker en rechtervoet een stap vooruitzetten waarbij tussen de stappen door beide voeten een moment los van de ondergrond zijn (als je voeten niet tegelijkertijd loskomen, dan loop, wandel of snel-wandel je). Volgens die betekenis, ik heb het zojuist gecontroleerd wat overigens niet meevalt, ren of jog ik dus wel degelijk. Ik zweef na iedere pas vrij door de lucht. Hoe kort die zweeftochtjes ook zijn, ze vinden onmiskenbaar plaats! Je zou best wat langer willen zweven om te ervaren hoe dat voelt. Heerlijk lijkt mij, maar hoe krijg je dat voor elkaar?
Genoeg over dat beroerde hardlopen onder het destructieve regime van spierreuma. Vanaf hier – ik ren over de Kloosterstraat – ga ik meer op de omgeving letten. Bijvoorbeeld op deze fruitboompjes links en rechts. Dinsdag waren hier, aan de rechterkant van de weg, nog tuinlieden, Poolse waarschijnlijk, doende om de boompjes rigoureus te snoeien. Onthoofden, zo kwam het op mij over, met snoeischaren dood en verderf zaaiend. Maar het zal legitiem zijn geweest dat die tuinarbeider zorgvuldig de top uit ieder jong appelboompje snoeide om het afgeknipte deel, ik schatte dat op bijna een halve meter lengte, bij de reeds flinke verzameling in zijn linkerarm te leggen. Achter hem liep een collega die zo te zien niets anders deed dan toekijken. Leren? Controleren? Beveiligen?
Hoe dan ook, ik ren inmiddels over de Waalbandijk en werd intussen afgeleid van wat dan ook en ben bij mijn oudste broer in Spanbroek terecht gekomen. Bruun heeft het pas echt beroerd getroffen. Dat begon een paar weken geleden. Slikken ging steeds moeilijker. Alsof het voedsel in zijn slokdarm bleef hangen, zei Bruun. De oorzaak daarvan diende zich waarschijnlijk veel eerder aan dan een paar weken geleden, maar ja, wanneer ga je met zo’n klacht naar de dokter want klagen doe je niet graag. Ik weet het niet, heb mijn broer er niet naar gevraagd. Een paar weken geleden aan de telefoon zei hij er niets over. Zondag kregen we het onverkort te horen, de tamtam deed zijn werk zou mijn broer zeggen. We hadden een soort van re√ľnie omdat onze zwager Cor een feestje gaf. 
Bruun heeft slokdarmkanker. Dat hakte er wel stevig in. Het maakt je tarn (om maar een begrip te lenen uit Waterschapsheuvel – van Richard Adams) zo’n bericht. Ik bedoel, gedachten schieten alle kanten uit waardoor er niets overblijft waaraan je voor dat moment steun kunt hebben. Bovendien was mijn broer zelf niet op dat feest omdat hij elders iets te vieren had. Hoe vier je trouwens iets, of wat dan ook, na de mededeling dat er kanker in je slokdarm woekert? 
Gisteren liet Bruun ons weten wat de oncoloog ervan vindt. Kanker met uitzaaiingen in zijn longen, onder andere volgens mijn broer. Ze willen het carcinoom in zijn slokdarm bestralen. Wat kunnen ze nog meer?
Wij wachten af en hopen en leven met mijn oudste broer mee. Wat kunnen we nog meer?
Dit hardlooprondje ging een fractie sneller dan dat van dinsdag, gemiddeld 8,31 kilometer per uur. Op veel plaatsen ervaar ik een beetje pijn, vooral in mijn rechterheup. Ach, dat is niets!


Geen opmerkingen:

Een reactie posten