dinsdag 22 september 2015

Onzichtbaar

De perenbomen aan de Hommelstraat, zien er sinds afgelopen vrijdag verlaten uit. Hun vruchteloosheid accentueert de eerste dag van deze nieuwe herfst. Dat is niet steeds zo geweest, tot voor kort toonden zij trots hun succes hoewel ik niet weet hoe succesvol ten opzichte van voorgaande jaren. Vrijdag trokken plukkers langs hun rijen, geassisteerd door een lange rij rollende kisten die geleidelijk met conference peren werden gevuld. Terwijl ik er vroeg in de morgen langs holde, stelde ik mij voor dat ik er bij zou zijn, bij de dames en heren plukkers, en onmiddellijk kreeg ik zin in hete koffie.
Nu ren ik langs de leeggeplukte vruchtbomen en denk met weemoed aan de voorbije zomer. Ik probeer uit te rekenen hoe vaak ik nog langs zal rennen tot deze herfst en de komende winter verleden tijd zijn, maar zie de zinloosheid daarvan tijdig in.
De Loenensche Wel, de langgerekte nevengeul, waarvan het waterpeil zo dramatisch is gekrompen, ziet er deze morgen even verlaten uit als de perenbomen van De Weeropper leeg zijn. Ik verrek nagenoeg mijn nek om uit te vinden waar ze zitten, mijn vrienden en vriendinnen. De dijk maakt hier een flauwe bocht zodat ik wat gemakkelijker terug kan kijken. Niets. Geen zilverreiger te bekennen, ook van de lepelaars geen spoor. Als ik het al bijna opgegeven heb, komt het diepere deel in zicht. Ja, kijk, daar zie ik twee grauwgrijze gestalten in het water. Twee blauwe reigers gaven het nog niet op. Zij staan met hun rug naar mij toe, onafgebroken in de plas turend. Eenzaamheid spoelt langs hun veren.
Terwijl ik verder ren valt mij pas op dat deze twee jagers zo vreemd dicht naast elkaar staan. Het is alsof zij op fluistertoon de afwezigheid van de bezoekers becommentariƫren, die de afgelopen weken deze plas bevolkten. Liefst zou ik naast hen staan, desnoods op een poot om mijn aanwezigheid te verheimelijken. Als vanzelf zie ik voor mij hoe dat er uit moet zien en laat dat plan dus varen. Dan realiseer ik mij dat ik me voor deze geduldige vissers met gemak onzichtbaar kan maken. Zo, dat is gelukt. Nu kan ik horen wat zij elkaar vertellen.
Aanvankelijk begrijp ik niet waar zij het over hebben, maar dan doemt het beeld op van een eenzame reiger, een blauwe. Hij, het is een van deze twee, laat ik hem Jack noemen, staat aan de rand van een plas. Zijn ogen, inktzwarte pupillen omringd door gele irissen, staren roerloos langs zijn snavel in het water. Plotseling schiet zijn kop naar voren, in grote snelheid en met uiterste precisie, en spartelt een stekelbaarsje in zijn genadeloze snep. Dan begrijp ik het. Het is alsof Jack zegt: “Wij zijn niet afhankelijk van elkaars hulp, maar die witten, die zilverreigers die hier de laatste weken de boel op stelten hebben gezet, die lijken niet zonder elkaar te kunnen vissen!”
Doordat mijn beeld wisselt, een snavel met een verbreed uiteinde verschijnt in de plaats van de scherpe dolk van de reiger, begrijp ik dat zij het over de lepelaars hebben. Zijn kameraad zag hen voor het eerst en laat weten dat hij met hen te doen heeft, vanwege de vergroeiing van hun snavel. “Welnee joh, dat hoort zo”, stelt Jack hem gerust. “Dat waren lepelaars. Zij komen ieder voorjaar uit Egypte! Ha, je zult ‘t volgend jaar wel merken, als je voor de eerste keer een nest maakt! Die lepelaars zijn dan wellicht je buren!”
“Hoe weet je dit allemaal?”
Ik houd mijn adem in. Want terwijl Jack zijn maat voor deze dag vertelt hoe hij aan deze kennis komt, verschijn ik in mijn beeld, hardlopend langs de nevengeul. Het is alsof ik in een enorme spiegel kijk.
Dan pas valt het kwartje.
Het is helaas volledig mislukt, mijzelf onzichtbaar maken!



Geen opmerkingen:

Een reactie posten